Ouderlijk gezag

Over kinderen die zijn geboren binnen een huwelijk of geregistreerd partnerschap, hebben de ouders in principe het gezamenlijk ouderlijk gezag. Sinds een wetswijziging in 1998 geldt als uitgangspunt dat het gezamenlijk ouderlijk gezag ook na de echtscheiding blijft bestaan. Daarvoor is niet noodzakelijk dat er sprake is van een goede verstandhouding of communicatie tussen beide ouders. Handhaving van het gezamenlijk ouderlijk gezag wordt over het algemeen in het belang van het kind geacht. Het gezamenlijk gezag wordt alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen beide ouders.

Het uitgangspunt is dus dat beide ouders na de echtscheiding belast blijven met de opvoedkundige en juridische verantwoordelijkheid voor hun kinderen. In de praktijk betekent gezamenlijk gezag dat ouders samen de belangrijke beslissingen over de opvoeding, schoolkeuze, medische behandeling, verhuizing, aanvraag paspoort/visum en financiële kwesties moeten nemen. Kleine alledaagse beslissingen over de kinderen worden genomen door de verzorgende ouder. Wanneer de ouders het hierover niet eens kunnen worden, kan de kwestie worden voorgelegd aan de rechter. Het ouderlijk gezag over kinderen kan door maximaal twee personen worden uitgeoefend.

Indien een van beide ouders van mening is dat het gezamenlijk ouderlijk gezag niet in het belang van hun kind is kunnen zij verzoeken om eenhoofdig gezag. Een minderjarig kind kan vanaf 12 jaar ook zelf verzoeken om een gezagswijziging.

Als ouders belast willen worden met het gezamenlijk gezag over een kind dat niet binnen het huwelijk of geregistreerd partnerschap geboren is, kunnen zij daartoe een gezamenlijk verzoek doen bij de griffier van het kantongerecht. Als zij dit niet doen heeft alleen de moeder gezag over het kind. Als de moeder niet instemt met toekenning van het gezamenlijk gezag, dient een verzoek daartoe bij de rechtbank te worden ingediend. Een dergelijk verzoek kan alleen worden ingediend door de persoon die het kind heeft erkend. Wanneer een kind wordt erkend, leidt dit weliswaar tot juridisch ouderschap, maar niet automatisch tot gezamenlijk gezag.

Als maar één ouder gezag heeft, kan diens nieuwe partner medegezag krijgen. Hierdoor ontstaan ook plichten. De ouder zonder gezag moet wel eerst gehoord worden en kan hiertegen bezwaar maken. Uiteindelijk beslist de rechter over het verzoek. Na beëindiging van het gezamenlijk gezag heeft de niet-ouder een onderhoudsplicht gedurende een even lange periode als het ouderlijk gezag heeft geduurd.

Iedere rechtbank heeft een gezagsregister waarin opgetekend staat wie het gezag of de voogdij heeft over een kind, met uitzondering van het van rechtswege toegekende gezag (ontstaan door het huwelijk en moederschap).

In geval van overlijden van de ouder die het eenhoofdig gezag heeft, bepaalt de rechter wie het gezag over het kind krijgt. De andere ouder heeft hierbij een voorkeurspositie. Deze heeft één jaar de tijd om het ouderlijk gezag aan te vragen. Daarna vervalt de voorkeurspositie. De gezagsouder kan eveneens via een testament een voogd aanwijzen. De rechter zal dan moeten beslissen of de andere ouder of de voogd het gezag over het kind krijgt.

Als ouders hun plicht tot verzorging en opvoeding van hun kind(eren) niet op een goede manier uitoefenen, kan dit aanleiding geven tot ontheffing of ontzetting uit het gezag. Een minder vergaande maatregel in dit kader is de ondertoezichtstelling van een kind. In dat geval wordt het gezag van de ouders beperkt, zij moeten zij bij de opvoeding houden aan aanwijzingen van de gezinsvoogdijinstelling.