Alimentatie
Alimentatieberekening lijkt soms een exacte wetenschap, maar is dat niet, zeker niet als sprake is van een eigen bedrijf.
Bij een eigen bedrijf telt niet alleen het inkomen dat maandelijks door het bedrijf wordt uitgekeerd, maar telt ook de winst van de onderneming als geheel. Een deel van de winst kan immers in het bedrijf blijven. Daar is niks op tegen, maar het is een keuze waar de rechtbank geen rekening mee houdt. In beginsel wordt ook het deel van de opbrengst dat niet wordt opgenomen, als inkomen gezien. Wat de Belastingdienst als salaris accepteert, is niet van doorslaggevende betekenis. De ondernemer stelt immers zelf zijn salaris vast.
Dat is voor twee aspecten van belang: de draagkracht en de behoefte.
De draagkrachtberekening komt uit op een bedrag dat de alimentatiebetaling maximaal kan missen.
De behoeftebepaling beantwoordt de vraag naar op hoeveel geld de alimentatiegerechtigde recht heeft. Als de behoefte kleiner is dan de draagkracht, hoeft dus niet het volle bedrag aan alimentatieruimte benut te worden.
De behoefte wordt vastgesteld aan de hand van de financiële situatie in de periode dat partijen nog samenwoonden.
Voor meer over alimentatie in het algemeen, kunt u te rade gaan op de pagina op deze site die daar speciaal aan gewijd is.
De draagkracht c.q. de hoogte van het inkomen dat de ondernemer wordt gewaardeerd aan de hand van wat hij zich redelijkerwijs voor inkomen had kunnen toebedelen. Dit wordt bepaald aan de hand van alle financiële bescheiden waar dit uit kan blijken zoals jaarstukken, belastingaangiftes en –aanslagen. Om inzicht te verkrijgen is een periode van drie jaar vaak de maatstaf. Daarbij wordt er gelet of de winst niet kunstmatig gedrukt wordt, bijvoorbeeld met behulp van reserveringen of afschrijvingen. Ook voordelen uit het bedrijf, zoals een lease-auto, kunnen soms als inkomen worden gerekend.
De behoefte is, cru gezegd, afhankelijk van ‘hoe goed partijen het hadden’. Dat is er ook de reden van dat, meestal aan de vrouw, in ieder geval voor een beperkte periode alimentatie wordt toegekend. Dat is ook zo als ze zelf verdient en goed in haar levensonderhoud kan voorzien. Het wordt gezien als een soort gewenningsperiode. Als de alimentatiegerechtigde pp de langere termijn niet in het levensonderhoud kan voorzien, wordt de periode langer.
De behoefte wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Daarbij kan een overzicht van de te verwachten kosten een rol spelen. De rechter kan ook een globaal inzicht verlangen van het uitgavenpatroon. Als er bijvoorbeeld al geruime tijd op te grote voet werd geleefd, wat ten koste ging van de banksaldi, zal ook dat een aanwijzing zijn om de behoefte hoger in te schatten. Het plafond blijft altijd de draagkracht. Meer dan dat hoeft de alimentatieplichtige niet te betalen.
Veel rechters gaan, in plaats van alle omstandigheden te wikken en te wegen, uit van een formule om de behoefte te bepalen. De alimentatiebehoefte wordt dan gesteld op 60% van het netto gezinsinkomen. Daarop komen de (forfaitaire) kosten van de kinderen en de werkgeversbijdrag in de ziektekosten in mindering. Het resultaat is dan de behoefte.